Nederlandse Oriënteringsloop Bond

Techniek van het oriënteringslopen
maandag 11 juni 2007 03:00

Iemand die begint te oriënteren zal eerst volgende punten eigen maken:
kaartlezen, afstand meten en schatten, richting kiezen en goed voorstellen van objecten op de kaart en werkelijkheid.

Kaartlezen

Kiezen van de beste route
De azimutlijn tussen twee punten is uiteraard de kortste, maar zeker niet altijd de snelste. De beginnende oriënteerder volgt best zolang mogelijk de wegen, paden, grachten of m.a.w goed herkenbare punten, om zo zijn aanvalspunt te bereiken Wanneer je vanaf de weg toch een azimut kiest, neem dan altijd een veilige richting. B.v. je loopt eerst ruw oriëntatie tot het kruispunt, dan ga over tot fijn oriëntatie,waar het postobject einde gracht is.


pechroute

In een wedstrijd zal je niet altijd de wegen kunnen volgen, dan komt het erop aan zo vlug mogelijk enkele grote herkenningspunten te zien op de kaart waarlangs je moet passeren.

herkenning onderweg

De post staat achter de vegetatielijn en het object is de boomstronk.De herkenningspunten zijn van rechts naar links, 1 pad, 2 gracht, 3 pad, verder lopen we naar een van de twee vegetatielijnen om zo ons punt te bereiken.

Onthouden van markante gegevens
Om regelmatige haltes en tijdverlies te vermijden is de loper verplicht om herkenningspunten op de kaart te interpreteren en memoriseren (onthouden) over langere afstanden.
Snel de kaart lezen op plaatsen waar je niet teveel moet uitkijken naar de omgeving, maar wel op wegen en bossen zonder loophinder.
Kies te gelijkertijd meerdere herkenningspunten en let vooral op de richting wanneer je deze voorbij gaat.
Opgelet controleer je gekozen volgweg op de kaart

Afstand meten en schatten
Passen tellen:
vraagt veel extra concentratie, je moet jezelf ertoe dwingen. Vooral bij de fijne oriëntatie.
Maar eens je het passen tellen gewoon bent, zal je met meer zelf vertrouwen naar een post lopen. Dit zal dan ten goede komen in het verbeteren van je tijd.
Bovendien zal het opvallen dat je minder gaat rond dolen.

Het lopen op kompas:
Wanneer er geen opvallende merkpunten zijn.
Wanneer er veel op elkaar lijkende merkpunten in dezelfde zone liggen.
Wat te doen wanneer de richting niet klopt: 
Wanneer de geplande afstand gelopen is en je bent niet aan het merkpunt dat je moet hebben, STOP DAN, kijk rond en probeer te achterhalen in welke richting je eventueel bent afgeweken, (dit kan zijn door je te haasten, loophinder in het bos, bergop of bergaf) kijk of er een merkpunt is dat overeenstemt met de details op de kaart.
MAAR LOOP NOOIT ALS EEN … VAN LINKS NAAR RECHTS DOOR HET BOS. Als er direct geen punt gevonden wordt ga dan terug naar het laatste punt waar je vertrokken was bij het tellen van de passen. (duimgreep)

Reliëf lezen?
Daar men gelukkig niet met een schaaf door het bos gaat, blijven de hoogtelijnen ongeschonden, van daar dat het heel belangrijk is om deze goed te kunnen lezen.
Vaak zijn ze het enige hulpmiddel om zich te oriënteren.
DUS LEER HET RELIEF GOED LEZEN!!!!!!
In volgende tekening laten we verschillende voorbeelden zien:

heuvels

1) Hoofdhoogtelijn (deze wordt gebruikt om de 5 hoogtelijnen)
2) hoogtelijn ( hier ziet men een gesloten lijn en dit is gelijk aan een heuvel)
3) Inloper - Insnijding (hier buigt de hoogtelijn naar de top)
4) Uitloper - Neus (hier buigt de hoogtelijn weg van de top)
5) Hulp hoogtelijn (dit is de helft in hoogte van een hoogtelijn vb. 1 m = dan 1/2 m)
6) Hellingslijnen (aan de kant waar deze staan gaat het omlaag)
Opmerking: de kleine streepjes worden bijna nooit gebruikt bij inlopers. In het figuur is het aangebracht voor de duidelijkheid, om aan te tonen waar de diepte is.

Laatst aangepast ( dinsdag 30 november 2010 16:16 )
 
Nederlandse OriënteringsloopBond © 2007-2009 [inloggen]